1. Inleiding
2. De vier competenties
3. Leidster-kind interactie
Sociaal-emotionele ontwikkeling
Emotionele veiligheid
Zelfreflectie groepsleiding/zelfreflectie kinderen
Grenzen aangeven/taalgebruik
Bijzondere kinderen
4. De binnen- en buitenruimte
Inrichting van de ruimte
Beschrijving van de speelhoeken
Zorg voor de ruimte
5. De groep
Groepsregels
Conflicten
Eigen identiteit/groepsidentiteit
Vriendjes
6. Spelmateriaal
Ontwikkelingsgericht
Vertegenwoordiging spelsoorten
7. Activiteiten
Komen en gaan, hallo en dag
Eten op de BSO
Uitstapjes
Activiteiten binnen de @-pe-noot
8. Tot slot
1. Inleiding
In dit pedagogisch werkplan wordt beschreven wat we doen als leidsters op de werkvoer, hoe we het doen en waarom we het zo doen. Wat in de RIE ( risico inventarisatie en evaluatie) omschreven staat t.a.v. gezondheid en veiligheid wordt hier niet omschreven, we volstaan met de mededeling dat we deze richtlijnen volgen. We hebben het in dit plan over het pedagogisch handelen, inrichten en voorwaarden scheppen.
We willen ouders en kinderen het volgende garanderen:
- Veiligheid, sociaal emotioneel en fysiek. Dit doen we door privacy van ouders en kinderen te waarborgen (privacyreglement), voorspelbaar te zijn in onze gedragingen, structuur te bieden, en door te zorgen dat de ruimtes en materialen voldoen aan eisen van GGD en brandweer.
- Stimuleren van de sociale en persoonlijke competenties. Dit doen wij door de eigenheid van ouders en kinderen te respecteren en mogelijkheden/ruimte te bieden om kinderen in eigen tempo en op hun eigen manier te laten ontwikkelen. Hierbij hebben we ook aandacht voor het omgaan met elkaar in de groep, waarin ieder kind kan oefen met sociale vaardigheden.
- Pedagogische onderbouwing. Dit realiseren we door als leidsters op de hoogte te blijven van nieuwe pedagogische inzichten (vakliteratuur, het volgen van opleidingen, cursussen en workshops), door steeds bewust te blijven van onze pedagogische doelen (teamvergaderingen) en door daadwerkelijk toe te passen wat in het pedagogisch werkplan staat beschreven (teamafspraken).
- Een warme plek voor hun kind. Elk kind en elke ouder is voelbaar welkom, men wordt gezien, de leidsters houden van kinderen om wie ze zijn en niet om wat ze kunnen/doen of wie ze zijn (onvoorwaardelijk). Hierbij zijn wij als leidsters attent op wat we zelf meebrengen aan ervaring uit eigen jeugd en mogelijk daar aan gekoppelde oordelen, overtuigingen of gewoontes. De leidsters stellen zich neutraal op en bevechten actief oordelen. Een vaste vraag die we ons steeds stellen: “kan het ook anders?”
- Lekker bewegen. Kinderen kunnen bij ons elke dag mee doen met een sport en/of spel activiteit die wij aanbieden. Er wordt van te voren een schema op gesteld en de kinderen kunnen als ze binnen komen kijken welke activiteiten worden aangeboden. Te denken valt aan verschillende sporten, verschillende soorten spelletjes (zoals tikkertje) enz. Maar ook een kookactiviteit, theater voorstelling maken.
Al deze aspecten zijn als een rode draad terug te vinden door de volgende hoofdstukken heen.
2.De vier competenties.
1. Emotionele veiligheid = EV
2. Sociale competentie = SC
3. Persoonlijke competentie = PC
4. Overdracht van normen en waarden = ONW
In dit pedagogisch werkplan is concreet het pedagogisch handelen op de groep beschreven.
In alle hoofdstukken wordt gewerkt aan alle competenties zoals genoemd in de Wet Kinderopvang.
Middels pictogrammen bij het hoofdstuk, is te zien welke competenties er de nadruk krijgen.
3. LEIDSTER-KIND INTERACTIE (EV+SC+PC+ONW)
Sociaal-emotionele ontwikkeling.
Zodra peuters kleuters worden verandert er veel voor ze. Ze gaan naar school en zitten soms in een grote groep. Er wordt gedurende de schooldag best veel van ze gevraagd. Zo moeten ze leren te reageren op dingen die aan de groep worden gevraagd en niet individueel. Opletten dus! Er is praktisch gezien minder bewegings-vrijheid terwijl de kinderen zich emotioneel nog heel fysiek uiten, vanuit de bewegingsenergie. Zodra kinderen uit school komen is er dus veel te verwerken. Zodra kinderen naar groep 3 gaan is er weer zo’n periode waarin er veel verandert, er wordt meer van de cognitie gevraagd. Kinderen die uit school komen hebben hun eigen manier van het ‘op school zijn’ los te laten en weer ‘thuis’ te komen. Het ene kind wil vertellen van school, een ander weer niet. Het ene wil uitdollen, het andere tot rust komen… Als leidsters proberen we de kinderen hierin te geven waar ze behoeft aan hebben.
Het uitdollen kan vaak onderweg van school naar de BSO al, bijvoorbeeld door lekker te rennen tot de overkant van het trapveldje.
Een opvangmiddag na school begint met even iets drinken en vooral thuiskomen.
Bij een kleuter is de gewetensontwikkeling in volle gang, maar vaak nog niet voltooid.
De kleuter, die sinds de peutertijd bezig is met het ontdekken van eigen identiteit, kan zich nog niet zo makkelijk inleven in de ander, dit is in ontwikkeling. Liegen heeft nog niet de betekenis die het voor een 8-jarige heeft. Een kleuter zit nog met 1 been in het magisch denken. ‘Sorry zeggen’, ‘vrienden sluiten’, ‘o.k.!’ heeft al wel wat betekenis, maar is vaak ook gewoon nog een vluchtmogelijkheid uit een moeilijke situatie. Het verbaal oplossen van conflicten is voor de 4-jarige heel moeilijk, maar door te kijken en te luisteren naar de grote kinderen leert het steeds meer. Als leidsters realiseren we ons dat. We volgen in observaties en communicatie op de voet, wat er per kind qua ontwikkeling op sociaal-emotionele gebied mogelijk is en stemmen onze verwachtingen en communicatie daarop af. (begripvol)
We leren kinderen dat emoties als golven zijn, ze komen op als vloed, maar ebben altijd weer weg. (mits ze erkend worden en beleefd)
Sowieso geldt voor elk kind op de BSO, dat het eerst de gelegenheid krijgt te voelen/ervaren wat er gebeurt in een situatie, wat het hem/haar doet, alvorens er gepraat moet worden. Als leidster erken ik en benoem ik het gevoel. (bijvoorbeeld: ‘ik zie dat je boos bent…of verdrietig…’ etc.) Zonodig bieden we een instrument aan om het gevoel veilig te uiten. Als dit consequent gebeurt leert een kind dat emoties mogen, ook als ze onredelijk zijn. Pas als de emotie erkend is, en beleefd, is er het praten (redelijkheid) of de handeling. Zo leren we de kinderen omgaan met emoties, en niet direct vanuit de emotie te reageren. Tot 10 tellen als uitdrukking (of tot 100, time-out) dient het eerste ervaren van een emotie voor het denken/handelen. Middels het spelen van gezelschapsspelletjes oefenen we gericht met aspecten van de sociaal-emotionele ontwikkeling. (zie activiteiten)
Zelfvertrouwen is een grote ondersteuning bij de sociaal-emotionele ontwikkeling.
Het verantwoordelijk zijn voor taakjes (spelmateriaal, activiteiten), waardering voelen voor wie je bent, ondersteunt het groeiende zelfvertrouwen en helpt een positief zelfbeeld te ontwikkelen.
In een proces moet elke ontwikkelingsstap genomen worden en het voltrekt zich altijd in een golfbeweging. Een proces laat zich nauwelijks verhaasten, we kunnen wel de omstandigheden/voorwaarden gunstig maken en de kaders (zie grenzen aangeven), veilig en eenduidig. Sociaal-emotionele ontwikkeling is een proces!
Emotionele veiligheid.
We geven kinderen een gevoel van veiligheid door duidelijk te zijn in wat wel en niet kan. Als leidster zijn we consequent en voorspelbaar in onze reacties.
De kinderen voelen zich welkom met hun eigenaardigheden, we kunnen gedrag (aangeleerd) loskoppelen van wie het kind is (aangeboren). Complimentjes over wat het kind doet, of wat het kan, zijn altijd gemeend en worden niet gebruikt om iets van een kind gedaan te krijgen (onvoorwaardelijk). Ze zijn qua hoeveelheid in balans met de complimentjes over wie het kind is.
Complimentjes voor wie het kind is: een glimlach, een aai over de bol, een knipoog… Ook daar zitten geen voorwaarden of prestaties aan vast.
Gedrag is eigenlijk niets, het is een uiting van datgene wat er aan ervaring en gevoelens bij het kind aanwezig is. Door te herkennen wat er onder het gedrag ligt (bijvoorbeeld angst voor afwijzing, ruzie gehad op school, denken in ‘tekorten’…etc.) kunnen we het kind geven wat het nodig heeft.
We zorgen voor een ‘emotieschone omgeving’ doordat we de professionaliteit hebben onze eigen problemen van thuis of met collega’s, tijdens het werk in de wachtkamer te zetten.
Deze komen op hun eigen moment aan bod.
Omgaan met emoties op het werk: Het nare gevoel dat je hebt als je een fout maakt, iets niet gaat zoals je denkt dat het goed is…noem het maar op, kan het best even benoemt worden als het gebeurt, in het bijzijn van de kinderen…
Bijvoorbeeld na een naar telefoontje van een ouder: ‘ik neem even een kopje thee hoor,ik voel me wat onrustig van dat telefoontje…pak maar vast de lego, ik kom over 5 minuten, even bijkomen!’Dit is duidelijk voor kinderen, het ligt niet aan hun, je houdt het bij jezelf, en ze leren hiervan!
Zelfreflectie groepsleiding/zelfreflectie kinderen
Omdat we een deel van de opvoeding ons nemen en de kinderen op willen voeden tot zelfstandig denkende, bewuste en stabiele mensen, besteden we veel aandacht aan zelfreflectie. Dit kan ook spelenderwijs: drama, rollenspel, verhalen.
Als groepsleiding denken we ook aan zelfreflectie. We leven dit aan de kinderen voor.
We stellen ons regelmatig vragen:
‘Waarom reageer ik zo op die situatie?’
‘Wat doet die situatie met mij?’
‘Waarom reageer ik zo?’
‘Kan het ook anders?’
We realiseren ons dat we net als ieder ander mens een hele serie onbewuste gewoontes, gedrags- en gedachtepatronen meebrengen vanuit onze persoonlijke ervaring/geschiedenis.
Het voorbeeld geven, en ons van tijd tot tijd hardop vragen te stellen in het bijzijn van de kinderen helpt ze om zichzelf kritische vragen te stellen en zichzelf te kennen.
Grenzen aangeven/taalgebruik
We geven duidelijk grenzen aan. Vrijheid blijheid, maar de grens is daar, waar het de ruimte van een ander beperkt. Doordat kinderen zien dat hun grenzen consequent bewaakt worden door de groepsleiding (consequent zijn), is er minder de neiging bij de kinderen om de grenzen te checken en te overschrijden. (emotionele veiligheid) We leggen een aantal altijd geldende grenzen neer in ‘de groepsregels’, die we regelmatig met de kinderen doorspreken. (zie groep)
Hoe geven we de grens aan:
Vriendelijk en beslist! Onze lichaamstaal komt overeen met de verbale boodschap.
Eenduidigheid. We gebruiken niet meer woorden hiervoor dan nodig, zodat we voorkomen dat we de indruk wekken dat we ons moeten verdedigen, verantwoorden en dat wat met verbale vaardigheid de grenzen opgerekt kunnen worden.
We luisteren wel goed naar het weerwoord, en er mag een weerwoord zijn.
Het kan zijn dat het de aanleiding is om met elkaar op een geschikt moment een andere grens vast te stellen. (Waarom doen we het zo, kan het ook anders?’ Zelfreflectie!)
We houden regelmatig met de groep een bijeenkomstje om het reilen en zeilen op de groep en de zin van de regels te bespreken. Zo worden het hun eigen regels en ontstaat verantwoordelijkheid ten aanzien van de sfeer in de groep.
We spreken graag in de ik-vorm, dat is minder verwijtend en veilig. Dit leven we de kinderen voor.
We realiseren ons dat de kinderen vaak vluchtig luisteren (zeker na een schooldag lang opletten) en dat ze reageren op trefwoorden en woorden met klemtoon.
We vertellen kinderen ook waarom iets wel of niet mag.
We vinden het belangrijk om tijdens het communiceren met een kind oogcontact te maken en zijn/haar naam te gebruiken en zo onverdeelde aandacht te geven. Is het probleem van een kind ‘negatieve aandacht vragen’, dan doen we dit vooral op momenten dat er positief aandacht gegeven kan worden. Door o.a. in de sport en spel activiteiten verschillende niveaus te spelen leren kinderen omgaan met elkaar, winnen en verliezen maar ook het wachten op elkaar. (zie activiteiten)
Bijzondere kinderen
